Die tiet gaat eraf

‘Ben je thuis?’
‘Ja!
‘Kan ik je even bellen?’
‘O… tuurlijk, altijd.’

Ik schrik. Als zij belt, is het niet goed. Ik staar naar mijn scherm. Haar naam verschijnt. Ik neem op.

‘Hee…’
‘Hoi…’
‘Ik heb niet zo leuk nieuws…’
‘Wat dan?’

Ze begint te huilen. Ik ook. Want haar verdriet is nog altijd mijn verdriet. Maar ik slik mijn tranen weg. Sterk zijn nu.

‘Mijn moeder heeft een hersentumor.’
‘Godverdomme.’

Moederdag. Het is jouw eerste. Het is haar 36e.

‘Dinsdag wordt ze opgenomen. Het voelt niet goed.’

We huilen. Door de telefoon. Ik wil haar vastpakken, troosten, iets zeggen wat de pijn kan verlichten. Iets wat de angst kan wegnemen en die allesverzengende onzekerheid kan temperen.

Het lukt me niet.

Dagenlang probeer ik woorden te vinden om mijn verdriet te vangen. Om mijn frustratie te uiten. De oneerlijkheid te relativeren. Een poging te doen vat te krijgen om het onvermogen van het onbegrijpelijke te begrijpen. Om mijn tranen om te zetten in iets coherent leesbaars.

Het lukt me niet.

Een operatie volgt, bestraling, chemo’s, een pruik. De tweede chemokuur is vorige week gestart. Ze heeft sinds maanden weer eens op haar kleindochter kunnen passen. Ze is er nog.

Flashforward naar deze week, maandagmorgen. Mijn moeder moet naar het ziekenhuis. Pijn in haar borst.

‘Zal wel een ontstoken kliertje zijn.’
‘Lijkt me wel.’

Ik neem net een hap als mijn vader belt. Mijn vader belt nooit.

‘Pa,’ zeg ik met volle mond.
‘We hebben de uitslag, het is niet goed.’

Hij schiet vol. Je vader horen huilen. Ook nu slik ik mijn tranen weg. Ik luister, vraag en zeg dat ik er direct aan kom.

Borstkanker. De hele rataplan wordt opgestart, er komt een tijdsplan, weefsel gaat op kweek, ik leer de Poortwachtersklier kennen. Geen uitzaaiingen waarschijnlijk.

Woensdagmiddag. Mijn moeder belt. Mijn moeder belt wel vaker.

Ze heeft drie opties gekregen. Een borstbesparende operatie met bestraling, een borstamputatie waarbij een ballon wordt geplaatst voor een tweede operatie met reconstructie en bestraling of de zekerste: een borstamputatie.

‘Hoe lang heb je bedenktijd?’
‘Tot volgende week dinsdag. Maar ik weet het al. Die tiet gaat eraf, dan blijf ik leven. En je vader vindt mij met één tiet ook mooi.’

Ik lach. Ik huil.

‘Tot vrijdag, moeke.’

Vrijdag vieren we vooral het leven.