Eigenlijk heet ik Tsiwja

Carla van Dokkum heb ik leren kennen toen we beiden door Ebru werden betrokken bij het maken van FAB Magazine. Vóór ik Carla in real life ontmoet, hebben we een aantal keer telefonisch contact over de stukken die ik voor het magazine schrijf. Ze geeft me tips, stelt vragen, doet suggesties om de teksten beter te maken en hoewel ik haar adviezen ter harte neem en mijn teksten verbeter, vraagt het haantje in mij zich vooral af “wie ben jij eigenlijk?”. Kritiek is lastig, nietwaar. Later kom ik erachter wat Carla’s achtergrond is en hoeveel ervaring ze heeft met communicatie, media en eigenwijze, irritante stukjestikkers als ik. En ze heeft wel zwaardere gevallen het hoofd geboden, zo blijkt uit haar boek; tot een Arabische prins aan toe.

Bij de lancering van het magazine in Amsterdam zie ik haar niet, ik ben onwetend of ze aanwezig was, maar een jaar later ontmoet ik haar dan eindelijk wanneer we met alle makers in De Tuinen aan de Kralingse Plas in Rotterdam feestelijk afscheid nemen van het ter ziele gegane magazine. Ik leer Carla kennen als een hartelijke, energieke en lieve vrouw.

Groots & meeslepend
We zijn inmiddels een tijd verder, met Carla heb ik zo nu en dan nog contact via Twitter waar ik lees over haar twijfels, hoe haar bescheidenheid de boventoon voert als ze het heeft over dit boek dat ze schreef, over de aandacht die er voor is en hoe daar mee om te gaan en hoe ze nog steeds kan worstelen met haar verleden.

Dat verleden bespreekt ze uitvoerig in Eigenlijk heet ik Tsiwja. Het is een vlot geschreven boek waar je doorheen raast, bijna een metafoor voor het leven dat Carla leeft: vlot en razend. Groots en meeslepend, maar waar een groots en meeslepend leven voor anderen altijd garant lijkt te staan hoe het ideale leven te leiden, daar is de werkelijkheid weerbarstiger en is er altijd wel een onderliggende oorzaak te vinden waarom sommige mensen door het leven razen. Het is niet altijd een keuze, zeker ook voor Carla niet.

In Eigenlijk heet ik Tsiwja leer je Carla goed kennen. Haar nukken, haar twijfels, haar levenslust, haar verdriet, het leven dat ze leidt, het leven dat haar overkomt, alles komt aan bod. En natuurlijk, wie is Tsiwja? Wie is Carla Bruins? Of Carla Weidema-Bruins, geboren Tsiwja de Swarte?
Ook leer je haar pleegouders goed kennen, en dan met name mamma Bruins. Ik heb geprobeerd om tijdens het lezen sympathie voor deze vrouw op te kunnen brengen, maar het is me niet gelukt. Hoe Carla over haar pleegmoeder denkt, of voelt, durf ik niet te zeggen. Carla schrijft zonder wrok, maar ook zonder opsmuk: mamma Bruins is niet de liefste vrouw of moeder geweest, zeker niet voor Carla en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat mamma Bruins het lastig vond voor Carla te zorgen. Tegen wil en dank, is denk ik de beste beschrijving.

Yad Vashem
De Tweede Wereldoorlog heeft me altijd gefascineerd. Van een opa die als 17-jarige jongen in een Duits werkkamp heeft gezeten en met een oorlogstrauma thuis is gekomen tot het bombardement op Rotterdam waar mijn oma als klein meisje haar hele hebben en houden is verloren: ik zuig de verhalen op, zie documentaires, lees boeken en bezoek musea.
Ooit schreef ik economische verhalen voor de site PlusPost van Grimbert Rost van Tonningen, de oudste zoon van Meinoud Rost van Tonningen. Met hem heb ik nog kunnen spreken over zijn verleden en ik zie het dan ook als een bijzonder toeval dat Carla als kind goed bevriend is geweest met Ebbe, het jongere broertje van Grimbert. Zoveel levens, zoveel draadjes en zoveel toevalligheden waardoor mensen met elkaar verbonden kunnen zijn, terwijl ze dit vaak niet eens weten. Met natuurlijk het summum van bizarre toevalligheden dat Carla als kind van vermoorde Joodse ouders bevriend raakt met een kopstuk van de nazi’s die medeverantwoordelijk is voor de dood van miljoenen Joden. En dus ook Carla’s ouders die werden vermoord in Sobibor.

Voor mijn werk ben ik een aantal maal in Israel en de Palestijnse gebieden geweest, de eerste keer tijdens de Gaza-oorlog in 2008/2009 (Operatie Cast Lead), de laatste keer in het jaar dat Carla naar Hanni afreisde; de jeugdvriendin van Carla’s biologische moeder Ellen.
Tijdens een van mijn bezoeken aan Israel heb ik Yad Vashem bezocht. Nog steeds is dit holocaustmuseum mij het meest bijgebleven van alle memorials en plekken die ik heb bezocht. Je voelt er de verschrikkingen, je leeft er de verloren levens, je leest er de verdrietige verhalen en de foto’s, films en andere documentatie en gedenkmonumenten zijn immens intens en indrukwekkend.
Het moment in Yad Vashem waar Carla breekt als ze de namen ziet van haar overleden ouders, Ben en Ellen, is het moment dat ook ik volschiet. Het is zó voelbaar.
Bij het dichtslaan van het boek zit ik ook weer met tranen in mijn ogen en schrijf ik dit veel te lange stuk.

Ik kan er niet meer onderuit, sterker nog, ik wíl er ook niet meer onderuit. Ik heb er lang over gedaan en geleerd van het leven; ik aanvaard het verleden dat niet meer te veranderen is. Mijn verdriet was functioneel en helend. […] Ik ben heel geworden. Ik voel me wie ik ben. Ik hoef niet te strijden met de Carla die ik was, maar kan vertrouwen op de Carla die ik ben geworden. Ik ga door met mijn leven.

Tot slot
Lieve Carla, je hebt een prachtig, indrukwekkend boek geschreven, openhartig en zonder enige pretentie of manieren om zaken mooier voor te spiegelen dan ze waren of zijn. Ik ben blij dat je met Onno en alle kinderen en kleinkinderen al jaren een gelukkig leven leidt en hoop oprecht dat dat nog lang mag voortduren.

En geheel terzijde, als ik jou als twintiger was tegengekomen, was ik zonder enige twijfel als een blok voor je gevallen. Je bravoure, doorzettingsvermogen, levenslust en natuurlijk die donkere krullen: rete-aantrekkelijk.

Achterflap
Carla van Dokkum wordt geboren als Tsiwja de Swarte. Als ze in mei 1943 twee maanden oud is, worden haar Joodse ouders bij een razzia verraden. Baby Tsiwja wordt Amsterdam uitgesmokkeld en bij pleegouders ondergebracht. Na de oorlog heet Tsiwja inmiddels Carla en ontstaat een felle strijd over de adoptie (en het fortuin dat ze erfde). Als Carla elf is raakt ze bevriend met haar klasgenootje Ebbe Rost van Tonningen. Dat hij de zoon is van de gevreesde “zwarte weduwe’ zei haar niets, ze wist niet eens dat ze Joods was.

Met haar eerste man woont Carla drie jaar in Papoea-Nieuw-Guinea. Na zeventien jaar volgt een dramatische scheiding en is er van haar erfenis niets meer over.

Carla voelt zich tot haar achtenveertigste figurant in haar eigenleven. Desondanks maakt ze een opmerkelijke carrière en zit bij ministers en andere regeringsleiders aan tafel. Na een leven van ontkenning en er niet over willen praten ontmoet ze in 2015 de 97-jarige jeugdvriendin van haar moeder. Ze krijgt voor het eerst foto’s van haar ouders.